trots & vermoeidheid
Nog twee dagen. Dan wordt de definitieve versie van mijn boek bij de uitgever verwacht. Gisteren iets voor 18u schreef ik de laatste paragraaf. Vandaag, morgen en overmorgen sluit ik me op om nog enkele keren door het boek te gaan. Lezen en corrigeren. Puntjes op de i. Taalfouten en typo’s. De afgelopen weken hebben heel veel mensen meegelezen en me heel hard geholpen met inhoudelijke en vormelijke suggesties.
De meeste daarvan zijn verwerkt, een aantal liggen nog naast me. Wie élke dag heeft meegelezen met grote gevoeligheid voor taal én inhoud is mijn liefste lief, Kathleen. Merci, lieve schat, zonder jou had ik dit niet volgehouden. Merci ook voor de foto, even wat humor en zelfrelativering. The world has become a giant muppet show.
Ik sluit het boek af met twee brieven. Eén aan jongeren en één aan het beleid, aan de ministers en lokale politici. In die brief benoem ik zeven uitdagingen, formuleer ik zeven suggesties voor een beter en warmer onderwijs. Omdat motivatie de sleutel is voor leren, omdat er op dat vlak vandaag heel wat schort. Ik geef een ervan al heel graag mee en die gaat over alle collega’s in het onderwijs.
“Het onderwijs. Ik gebruik die term doorheen heel het boek maar ‘het onderwijs’ bestaat niet. Er bestaan alleen mensen en die heten leerkracht, directeur, zorgcoördinator, personeelsverantwoordelijke, … Zij zijn het die elke dag opnieuw door weer en wind sjezen om voor de klas te staan of de boel recht te houden. Zij zijn het die best vaak tegenwind krijgen van leerlingen, van ouders en van beleidsmakers als u. De zogenaamde crisis in het onderwijs gaat zeker ook over het tekort aan leerkrachten. Want waarom zouden ze dat nog doen, als ze in het bedrijfsleven meer betaald kunnen krijgen? Ik zat zo’n vier jaar geleden in een panelgesprek met onze toenmalige (Vlaamse) minister van onderwijs en hij zei onomwonden dat verloning voor leerkrachten niet de reden mag zijn waarom ze het doen. Een boude uitspraak, zo omgeven door allemaal … leerkrachten.
Na vijf jaar werken in dat onderwijs voel ik twee grote sentimenten: het eerste is trots. Trots op al die warme collega’s die echt met het hart op de juiste plek bewust kozen voor dit vak – die zijn er bij de vleet – ondanks alle uitdagingen. Dat is dan ook mijn tweede sentiment: vermoeidheid. Want elk jaar opnieuw verandert er weer zoveel. Elk jaar opnieuw moeten we merken dat er geen continuïteit is. Lesroosters, software, vakinhouden … Het idee van velen dat we één keer een les maken en daarna op onze lauweren kunnen rusten, vergeet het maar. Leerkrachten worden uitgedaagd om telkens weer zichzelf heruit te vinden, elke keer weer flexibiliteit te tonen. Tijdens oudercontacten klagen ouders over ons want ze weten het beter. Tijdens personeelsvergaderingen komt alweer een beleidsnota van u roet in de plannen strooien of worden schooluitstappen beperkt of geschrapt omdat er algemeen bezuinigd wordt.
Onderwijspersoneel verdient, net als leerlingen, veel zorg. Sense of belonging. Leerkrachten hebben geen voortdurende controle nodig, ze hebben autonomie nodig en een luisterend oor. Ook op dat vlak is er nog heel wat positieve evolutie mogelijk die echt niet zozeer grotere budgetten vereist. Vanuit uw beleid is er echter een sterke promotie van middle management, van tussenniveau’s waarbij leerkrachten zich veelal de vraag stellen wat ze eigenlijk doen. Soms is die vraag onterecht, soms erg terecht. Het gevolg is dat er in scholen en schoolgemeenschappen meer en meer micromanagement ontstaat omdat niemand meer helder weet wat zijn of haar rol is. Ik hoor dagelijks verhalen van betutteling en bemoeienis. Dàt is een grote demotiverende factor voor leerkrachten.
Ik hoop dat u de scholen weer meer in handen geeft van de echte experts en die staan niet aan de wal, die staan of stonden voor de klas en op de speelplaats. Geef leerkrachten en directies dan ook opnieuw meer slagkracht, zij weten bij uitstek wat elke specifieke klas of leerling nodig heeft, wat werkt en wat niet. Vandaag worden we bedolven onder massa’s administratie. Voor zover dat die het leren en welzijn van leerlingen en alle onderwijzend personeel bevorderen en kwaliteit controleren, ben ik fan. Maar een groot deel van die administratie is ingegeven door een veel te grote controledrang. U las in deel 4.5 al de drie factoren die motivatie het sterkst beïnvloeden bij leerlingen: autonomie, competentie en verbondenheid. Dat geldt evenzogoed voor leerkrachten en voor directies.
Geef hen opnieuw autonomie, de vrijheid om binnen de perken van leerdoelen en wetgeving les te geven en scholen te organiseren op hun manier, zonder betutteling.
Geef hen opnieuw de kans om hun competenties te versterken. Niet door van hogerhand bijscholingen op te leggen die naast de kwestie zijn, maar net door zich te kunnen verdiepen in wat voor hun vak én voor het omgaan met jongeren vandaag wél zin heeft.
Geef en stimuleer opnieuw verbondenheid door het idee van mentorschap of begeleiding niet stop te zetten zodra ze aan hun job beginnen, maar net door structureel tijd, ruimte en middelen vrij te maken zodat ze intern met mekaar én met hun leerlingen kunnen connecteren. Wie therapeut is, weet dat intervisie met collega-therapeuten erg belangrijk is: momenten om samen te reflecteren over problemen bij cliënten én de eigen zorgen. Dat is wat leerkrachten ook nodig hebben, structureel dus. Gelukkig doen de meesten dat spontaan in de docentenruimte, al blijft dat vaak bij het hart luchten, ventileren.
De sterkste (en beste) leerkrachten en directies die ik persoonlijk ken, zijn koppig. Ze durven sommige (nutteloze) administratie en regels aan hun laars te lappen. Ze doen dat echt niet uit anarchisme of kwaaie wil. Ze doen dat om hun leerlingen, hun collega’s en zichzelf te beschermen, om de job haalbaar te houden, om hun jongeren te vrijwaren van problemen. Ik pleit oprecht niet voor burgerlijke ongehoorzaamheid. Ik pleit voor begrip, voor sense of belonging. Directies moeten weer tijd krijgen om te kunnen zorgen voor hun leerkrachten. Zelf hebben ze ook zorg nodig.”